Psychiatrienet.nl

een onafhankelijke selectie van de belangrijkste sites door psychiaters

Psychotherapie

Op 8 april 2007 is de redacteur van de rubriek Psychotherapie, Prof. Dr. R.W. Trijsburg (58 jaar), volkomen onverwachts overleden. Een in memoriam vindt u in de sectie 'Nieuws' op de homepage van deze website.

Colofon


Afbraak van de psychotherapie in Nederlandtop


Algemene informatie over psychotherapietop


Beroepsverenigingentop


Diagnostiek en classificatietop


Integratieve psychotherapietop


Kennisinstituten geestelijke gezondheidszorgtop


Ontwikkelingen in de psychiatrische / psychotherapeutische professietop


Psychotherapeutische behandelinstitutentop


Psychotherapie via internettop


Psychotherapieonderzoektop


Psychotherapieverenigingen internationaaltop


Psychotherapieverenigingen Nederlandtop


Specifieke psychotherapeutische methodentop


Stoornisgerichte psychotherapeutische methodiekentop


Stoornisgerichte psychotherapeutische methodieken - Sites over ESTtop


Vaktijdschriftentop


Meer weten button Belangrijke boekentop

Bergin, A.E. & Garfield, S.L (1994) Handbook of Psychotherapy and Behavior Change, John Wiley & Sons, Inc. New York. Inspirerend standaardwerk over de fundamenten van het psychotherapeutisch proces en het psychotherapieonderzoek.

Gabbard, G.O. (1994), Psychodynamic Psychiatry in Clinical Practice, American Psychiatric Press, Washington, London. Klinisch zeer relevante toepassingen van psychodynamische methoden in de behandeling van psychiatrische stoornissen.

Shea, S.C. (1998), Psychiatric Interviewing: The Art of Understanding, W.B. Saunders. Belangrijk leerboek waarin psychiatrisch diagnostische vaardigheden worden geïntegreerd met psychotherapeutische methodieken en technieken.

Snyder, C.R. & Ingram, R.E. (Eds.) (2000). Handbook of Psychological Change. Psychotherapy Processes and Practices for the 21st Century. John Wiley & Sons, Inc. New York. Dit handboek biedt een up-to-date overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen in de afgelopen tijd op het gebied van psychotherapieonderzoek en –praktijk. Belangrijke auteurs zijn Jacques Barber, Donald Baucom, Paul Crits-Christoph, William Folette, Mardi Horowitz, Charles Kiesler, Michael Mahoney, James Prochaska, William Stilers, Hans Strupp en Drew Westen. Het is een handboek in de ware zin van het woord: over alle relevante onderwerpen is wel een bijdrage te vinden. Bijvoorbeeld: een uiteenzetting over Randomized Clinical Trials, een kritische beschouwing over de status van Empirically Supported Treatments, beschouwingen over therapeut- en patiëntvariabelen en veranderingstheorieën, de verschillende invalshoeken in psychotherapie, zoals psychodynamisch, integratief, existentieel, interpersoonlijk, echtpaartherapie, groepstherapie, constructivisme en narratieve psychotherapie, feminisme in psychotherapie, gedragstherapie, cognitieve therapie, kort- en langdurende therapie en farmacotherapie. Los hiervan verkent men in een zestal slothoofdstukken toekomstige ontwikkelingen op allerlei voor de psychotherapie relevante gebieden.

Trijsburg, W., Colijn, S., Collumbien, E. & Lietaer, G. (red.) (1998). Handboek Integratieve Psychotherapie. Inventarisatie en perspectief. Uitgeverij de Tijdstroom, Leusden. Het handboek is een losbladig systeem van artikelen dat sinds zijn verschijning is uitgegroeid tot een boeiend en stimulerend forum voor psychotherapeuten die beseffen dat (wetenschappelijke) ontwikkelingen in de psychotherapie nauwelijks meer schoolgebonden zijn. Veel bekende psychotherapeuten uit Nederland en Vlaanderen leveren hun bijdrage. Sommige artikelen zijn primair integratief. Andere bijdragen zijn meer geschreven vanuit een traditionele oriëntatie, maar dan wordt wel steeds gezocht naar een dialoog met andere richtingen. Dat werkt verfrissend en uitnodigend. In deze opzet is Integratieve Psychotherapie beslist geen pleidooi voor een nieuwe psychotherapierichting. Het gaat om wetenschappelijke discussie tussen de verschillende psychotherapeutische richtingen met als belangrijkste vragen: wat werkt in psychotherapie en wat werkt voor deze cliënt.


MWB STELLING 1 (archief)top

De redacteuren van deze rubriek poneerden op 28 november 2001 de volgende stelling:
Psychotherapeuten die zichzelf zien als aanhangers van een bepaalde school leven in de vorige eeuw en onderschatten het belang van bevindingen uit wetenschappelijk onderzoek.

Hieronder vindt u alle reacties op de stelling, de reactie van de redactie op de ingezonden meningen én een antwoord op de stelling.

Woensdag 28 november 2001, 21:27:04
Een bepaalde school geeft een bepaalde, daarbij behorende vorming die je kleurt, enthousiasmeert, zeker als het klikt; die klik komt over en geeft ook energie in de richting naar de cliënt, die daardoor een hoopvol perspectief ervaart.
Niks mis mee dus, maar diezelfde therapeut behoort goed op de hoogte te zijn van wat ook wetenschappelijk sterk staat. Een spiegel voor haar/zijn handelen en om die hier en daar ook los te laten, gezien de wetenschappelijke nieuwe perspectieven, die zich aandienen.
Joop Stam, huisarts

Woensdag 28 november 2001, 21:59:44
1. Therapeuten die wetenschappelijke onderzoeksresultaten serieus nemen kunnen ook tot een bepaalde school behoren (cognitieve gedragstherapie!) E.e.a. hoeft elkaar dus niet uit te sluiten!
2. De betekenis van resultaten van wetenschappelijk onderzoek voor de klinische praktijk wordt schromelijk overschat. Bij voorbeeld: onderzoeker A komt met resultaten die haaks staan op de resultaten die onderzoeker B heeft gevonden en onderzoeker C toont aan dat studie A en B beide methodologische tekortkomingen vertonen, zodat er "vooralsnog geen eenduidige conclusies getrokken kunnen worden" en "verder onderzoek noodzakelijk is". Waarna de geschiedenis zich herhaalt, etc. etc. In al deze verwarring is het vasthouden aan de (schijn-!)zekerheid van een school verleidelijk!
Roos de Klerk, klinisch psycholoog-psychotherapeut

Donderdag 29 november 2001, 9:41:54
Volledig mee eens!
Ben er zelf van overtuigd dat cognitieve gedragstherapie het exclusieve recht op erkenning als psychotherapie verdient. Mensvisies zoals in de psychoanalyse en de humanistische tradities zijn filosofisch interessant maar hebben niets met verantwoord behandelen te maken.
De non-specifieke factoren zijn wat ze zijn: non-specifiek. Training in gespreksvaardigheden is iets dat in opleidingen helaas wordt onderschat.
Arjaan Hijmans van den Bergh, psycholoog NIP, Wageningen

Donderdag 29 november 2001, 12:18:30
Psychotherapeuten die zichzelf zien als aanhangers van een bepaalde school en zo hun patiënten behandelen zijn erger dan kwakzalvers. Een bewuste kwakzalver weet dat hij de mensen nept en hij heeft een zekere slimheid.
Therapeuten die vasthouden aan datgene waarin zij eens geloofden zijn domme stumpers te vergelijken met fundamentalistische religieuze leiders, die hun volgelingen ook beschadigen.
Nog erger zijn die therapeuten die beweren te beschikken over de kennis van meerdere scholen en menen in staat te zijn voor iedere patiënt juist die therapie te kunnen toepassen die voor die patiënt het beste is.
Als oprichter van een patiëntenorganisatie heb ik meer dan 25 jaar ervaring met dit soort kwakzalvers die allerlei scholen vertegenwoordigen. Gebrek aan zelfkritiek is wellicht het meest kenmerkende van deze "therapeuten".
R. Sieders, Arnhem

Donderdag 29 november 2001, 13:08:35
Het behoren tot een school is nog te smal, psychotherapie zou zelfs confessioneel (evt. met inbegrip van vrijzinnig humanistisch) moeten zijn.
Wanneer louter wetenschappelijk, en hier wordt wellicht bedoeld: statistisch, onderzoek naar therapeutische resultaten het criterium wordt, mag u consequent elk New Age-gedoe en bij uitbreiding elke vorm van autosuggestie en psychoplacebo, psychotherapie noemen. Wanneer u niet zover wilt gaan en zich toch beperkt tot die therapieën die zijn gegroeid uit bestaande scholen, dan hanteert u in feite toch nog steeds, zij het verborgen, het begrip school als demarcatiecriterium. Het gaat dan alleen over een meer pluralistische houding. Het gaat dus niet om 'aanhangers van een bepaalde school' maar om 'aanhangers van het historische concept school'.
School noch therapie zijn neutraal. Neutraliteit en objectiviteit zijn uitvindingen van de moderniteit die heden ten dage onhoudbaar zijn gebleken - dit kan een betekenis van het postmoderne zijn. Cultuur en daarmee onlosmakelijk verbonden religie verstoren de (strikt westerse, want moderne) illusie van neutraliteit. Alleen deze cultuur is in staat de idee te formuleren dat iets ingrijpends als een therapie, los kan staan van een antropologie, die het religieuze in de mens niet kan ontkomen.
Gedragstherapie kan de schijn van neutraliteit uiteraard hoog houden: ze is zodanig reductionistisch en afhankelijk van biologie en neurologie. Ze functioneert ook in het geval van volkomen indifferentie van de kant van de therapeut. Psychoanalyse echter veronderstelt een leeranalyse, omdat zelfs een gewoon abstract geloof in de werking van het onbewuste niet volstaat om analist te worden (tenzij u dit een vorm van arrogante inteelt vindt). Het behoren tot een welbepaalde school is dus relevant in die mate dat het om een werkelijke school gaat in de breedste zin van het woord.
Ik zou dit uiteraard verder willen uitwerken en beargumenteren, maar vindt er momenteel de tijd niet voor.
Erik Meganck

Donderdag 29 november 2001, 18:21:26
Mee eens.
Frans Loman

Donderdag 29 november 2001, 21:27
Met deze stelling ben ik het zeer eens. In de vorige eeuw vond ik al dat de scholen een gepasseerd station zijn. De beschikbare empirische evidentie geeft aan dat bepaalde vormen van psychotherapie voor bepaalde stoornissen vergelijkbaar of beter effect hebben dan psychofarmaca. De toekomst van psychotherapie ligt in het verder uitbouwen van op onderzoek gebaseerde richtlijnen en niet in het verwerven van een regeling in de psychiatrische of psychologische monumentenzorg.
Richard van Dyck

Vrijdag 30 november 2001, 15:44:45
Ik houd wel van een stelling ... op z'n tijd. Zeker wanneer ze vruchtbare dialogen oplevert en de betrokkenen beter begrip voor elkaar ontwikkelen.
Wanneer het echter tot vruchteloze debatteerwedstrijd(jes) leidt, ervaar ik het als overbodig. Hoewel ik zelf geen lid van een school ben - maar gewoon NVP-lid - en veel les geef (pre/doct/postdoctoraal) ben ik het oneens met de stelling. Vooral 'aanhanger' van/aan een school, wil ik dan voor me kunnen zien. Hoe verbonden zijn die schoolaanhangers dan met elkaar, hoe wisselen ze informatie uit en vooral hoe inspirerend worden ze ervan naar hun cliënten (en in inter-/supervisie)? Niet alles is namelijk meetbaar, zie bijvoorbeeld de geringe resultaten die op deze site vermeld worden bij Evidence Based Medicine.
En wat de vorige eeuw betreft; ik ben er niet zo van overtuigd dat deze eeuw zoveel beter is... maar helaas echt in de eeuw voor de vorige eeuw zijn, is me geen moment gegund.
Waar ik meer een voorstander van ben, doet nu niet ter zake, maar laten we zoveel mogelijk professioneel zijn in onze opstelling en de WGBO ter harte nemen... al is de consument daar koning; en hoe moeilijk veel van onze huidige hulpvragers zijn, daarvan doet www.moeilijkemensen.nl kond.
Drs. Eli Meijer, universitair docent, psychotherapeut, gezondheidszorgpsycholoog en hoofddocent Post Doctorale Opleiding Leiden/Rotterdam

Zaterdag 1 december 2001, 20:43:47
Zonder afbreuk te willen doen aan het nut van het aanhangen van een bepaalde school, leerde ik in de praktijk dat er eveneens werkzaamheid uitgaat van een eclectische benadering van problematiek. Dit hoeft een wetenschappelijke benadering van problemen niet in de weg te staan.
Hans Oud, Zwolle

Zondag 2 december 2001, 16:36:25
Mee eens.
Gerda Knipmeijer

Woensdag 12 december 2001, 19:39:45
Helemaal mee eens, omdat:
1. De mens gewoon veel te ingewikkeld in elkaar zit om door een school of stroming voldoende te worden gekend, behandeld en genezen op het gebied van psychisch ziek zijn (overigens geldt dit natuurlijk ook voor gezonde mensen als we al weten wat dat zijn).
2. Wetenschappelijk gezien een theorie nooit voldoet, zeker niet in de sociale wetenschappen. Zelfs geldt dit niet in de exacte wetenschappen; denk aan Einstein, Heisenberg, Bohr, Fermi enz. als het gaat om het omverwerpen van de Natuurkunde, laat staan als het gaat om mensen, zoals bij de sociale wetenschappen.
3. Als we denken aan de nurture/nature-discussie van de laatste 100 jaar, dan weten we hoe moeilijk het is een scheiding aan te brengen tussen wat geleerd is en wat erfelijk is. Als we dat niet echt goed weten , weten we dus ook niet wat het effect is van de opvoeding, cultuur (en deze is erg tijd gebonden), dus aan verandering onderhevig.
4. Mensen leven in een tijdsperiode steeds weer in die cultuur die dan geldt en dit is zo'n belangrijk fenomeen dat dit mee speelt. Veel scholen zijn tijd gebonden ontstaan (Freud bijvoorbeeld Victoriaans; neo-freudiaans als reactie op Freud na WOII; Rogeriaans als reactie op de slechte therapieverhouding tussen psychiater en cliënt; Beck als reactie op frustraties met irrationeel denken na 25 jaar psychoanalyse; Malan omdat het allemaal zo lang duurde, enz.) Allemaal hebben ze wel een beetje gelijk, daarom holistisch, eclectisch of integratief pas de werkvorm aan dat nodig is en in het belang is van de cliënt.
5. En dan een school. Eigenlijk is dit om te starten wel zo goed, als dit maar niet uiteindelijk te dogmatisch wordt doorgevoerd in de latere ontwikkeling, maar dat een therapeut open blijft staan voor andere scholen, maar ook voor kennis over acupunctuur, reiki, massage, enz.
6. Ik heb zelf een sterke voorkeur voor cognitieve gedragstherapie, maar ik besef daarbij dat het erfgoed van Freud, Jung, Sullivan, Winnicott, Klein, Kohut, Malan, Kernberg, Fromm, Reich, Lowen, Lazarus, Ferensci, Horney, maar ook onze prof. Van Praag, Kuyper, Buytendijk allemaal een rol spelen in mijn denken en het ervaren van die ander die om hulp komt vragen.
Goed ik vind het wel mooi zo.
Piet van der Ploeg

Zondag 16 december 2001, 23:34:35
De stelling is inderdaad prikkelend en het suggereert dat de psychotherapeuten de wetenschap een grotere plaats willen geven dan een aantal jaren geleden.
Een kanttekening vind ik de extrapoleerbaarheid van wetenschappelijk onderzoek. Hoewel ik een groot voorstander ben van EBM en zie dat vele vraagstukken vaak met meer onderbouwing beantwoord kunnen worden, vind ik de selectie van de populatie vaak een probleem. De patiënten die geïncludeerd worden in een dubbelblinde gerandomiseerde trial zijn nogal eens niet representatief voor de patiënten met het ziektebeeld. Dat zal in psychotherapie mogelijk ook zo zijn. De interpretatie voor wat dit dan betekent voor die patiënt die tegenover je zit, vergt veel denk- en redeneerwerk.
Het grote voordeel van meer wetenschappelijk bewijs achter de psychotherapie is wel dat de discussies over werkzame bestanddelen van behandeling duidelijker worden.
Peter N. van Harten, hoofdredacteur Psychiatrienet.nl

Maandag 14 januari 2002, 11:13:48
Ik heb kennis genomen van de voorgaande reacties en wil deze graag in die van mij verwerken.
1. Eén respondent is het met de stelling "volledig . eens", echter in zijn volgende zin toont hij zich overtuigd aanhanger van één school wanneer hij stelt dat "cognitieve gedragstherapie het exclusieve recht op erkenning als psychotherapie verdient."
Een inhoudelijk opmerking daarbij: Binnen de cognitieve gedragstherapie wordt steeds meer waarde gehecht aan de relatie tussen therapeut en cliënt; aangaande dergelijke relationele factoren bestaat veel kennis bij de cliëntgerichte "school".
2. Een andere respondent zet zich af tegen therapeuten die patiënten behandelen vanuit een bepaalde school of, erger nog, die vanuit kennis van meerdere benaderingswijzen, menen voor elke patiënt de juiste therapie te hebben. Wanneer hij (zij?) meent dat enige bescheidenheid op de plaats is dan ben ik dat met hem eens. Echter, valse bescheidenheid is ongewenst. Enigszins karikaturaal gesteld: Wanneer een therapeut zijn patiënten laat horen dat hij niet werkt vanuit enkele samenhangende uitgangspunten (een visie of "school" zo u wilt), dat hij geen brede kennis heeft en dat hij vol zelfkritiek zit, dan zal hij er weinig ten dienste kunnen zijn. "Metafactoren" zoals het kader (genezer-patiënt), de opvattingen (theorie over oorzaak en idee over aanpak), de stap die naar de hulpverlening is gezet (nieuw gedrag) en de hiermee samenhangende hoop, hebben naar mijn mening ook therapeutisch effect werking. (Dit is overigens een opvatting uit de vorige eeuw.)
3. Twee mensen schrijven kort "mee eens"; ik ben benieuwd naar hun argumenten. De overigen reageren meer uitvoerig, met een nuancering die ik kan waarderen en met argumenten die in grote lijnen deel, zoals:
- Het is niet verkeerd om vanuit een school te werken,
- dat sluit niet uit dat men verder kijkt dan het eigen schoolgebouw en
- dat men belang hecht aan wetenschappelijk onderzoek,
- waarbij men de betrekkelijkheid van wetenschappelijk bewezen "feiten" dient te beseffen.
4. Het volgende voeg ik er tot slot aan toe:
- Feiten zijn feiten en; hoe gretig men feiten omarmt dan wel hoe fel men ze bekritiseert, wordt bepaald door emoties die bepalen. Emoties zijn echter moeilijk onderzoekbaar.
- Wat niet is bewezen, dient derhalve nog niet verworpen te worden; over enige jaren kunnen zaken anders liggen. Zo weet men het therapeutisch effect van "non-specifiek" factoren, bijvoorbeeld empathie, niet goed te bewijzen; hersenscantechnieken bieden echter perspectief in dezen.
Joop Verschuur, psychotherapeut

Maandag 21 januari 2002, 18:50
Psychotherapie gaat veelal uit van een bepaalde verklaring van menselijk gedrag en baseert daar zijn methode op. Daar ligt de basis voor een 'bepaalde school'. Het zou best eens kunnen zijn dat een eventuele werking van alle psychotherapieën voortkomt uit het feit dat de er een positieve sociale omgeving (met aandacht, begrip, vertrouwen en liefde) wordt geboden aan een veelal gedesillusioneerde, gefrustreerde en sociaalgeïsoleerde cliënt\patiënt en niet kan worden toegeschreven aan een bepaalde methode (school).

De mens heeft de neiging om zichzelf boven de natuur te stellen. In de vorige eeuw werd dan ook tot in den treure gefilosofeerd over ‘de wil' en 'het bewustzijn' (Schopenauer, Kant, Hegel enz.). Mensen zijn soms gepreoccupeerd door de eigen psyche. Een groot deel van de psychologen en psychiatrisch verpleegkundigen staart zich blind op ‘het leervermogen’ en ‘de wil’. Er wordt echter veelal vergeten dat uitingen van de psyche een product zijn van het geheel van genetische eigenschappen en de (moeizame) interactie daarvan met de omgeving waarin het individu leeft.

De genetische\biologische eigenschappen van een mens vormen de basis van zijn beperkingen en mogelijkheden om met zijn omgeving om te gaan. Naarmate deze eigenschappen beperkter zijn (bijvoorbeeld een grote stressgevoeligheid) hoeft de omgeving maar een beetje negatief te zijn of het is al mis. 'Sterke' mensen, dus mensen met weinig beperkingen en veel mogelijkheden, zullen de meest negatieve omgeving trotseren zonder enige noemenswaardige last daarvan te ondervinden. Helaas geloven veel psychotherapeuten in het sprookje van 'het leervermogen' en 'de wil' en denken ze dat de mogelijkheden daartoe bij ieder mens gelijk zijn.

Het feit dat veel door psychiaters voorgeschreven medicijnen hun uitwerking missen, komt omdat de medicijnen geen 'toverpillen' zijn. Er is nog te weinig bekend over de gedetailleerde werking van de menselijke hersenen om goed toegespitste medicijnen te kunnen fabriceren. En medicijngebruik binnen de psychiatrie is ook vaak een kwestie van uitproberen welk medicijn het beste aanslaat. Het kan ondersteunend werken. Dit leidt ertoe dat zeer veel mensen op ongenuanceerde wijze meteen de gehele invloed van de genetische en biologische eigenschappen van een mens ontkennen en er een naïeve opvatting op na houden 'dat de oplossing dus op psychologisch' vlak moet worden gezocht. Dit is misschien wel de grootste 'blunder' die elke psychotherapeut kan maken.

Veel op 'de psychologie' gebaseerde therapieën missen hun uitwerking door een gebrek aan inzicht van de therapeuten in het complex geheel van genetisch\biologische eigenschappen, de interactie met de omgeving en daaruit voortvloeiende psychische uitingen. Het gebrekkige inzicht in deze complexiteit, en de 'ambitieuze' wil van veel psychotherapeuten om 'het wondermiddel' te vinden, leidt vaak tot een subjectief simplisme. De psychotherapeuten zoeken zelf veelal een houvast in dit complex geheel en dat leidt ertoe dat er maar al te vaak star wordt vastgehouden aan een eenzijdige benadering en het over het hoofd zien van een genetisch/biologische basis.

Psychotherapeuten moeten zichzelf en de mogelijkheden die psychotherapie kan bieden niet overschatten. Men dient binnen de psychiatrie de beperking van medicijngebruik en binnen psychotherapie de beperkte mogelijkheden van psychotherapie te onderkennen. Tevens dient men in te zien dat de voornaamste werking van psychotherapie waarschijnlijk gebaseerd is op het feit dat de cliënt\patiënt uit zijn situatie van 'in zijn eentje doorploeteren' wordt gehaald en psychotherapie 'slechts' een positieve sociale omgeving kan bieden die de frustratiegraad van een cliënt kan doen verminderen. 'Een welgemeende glimlach kan je hele dag weer goed maken'. Psychotherapeuten moeten zich minder blind staren op 'hun' methode.

Deze positief-sociale werking geldt ook binnen het circuit van alternatieve geneeswijzen. De psychiatrie en de psychotherapeuten dienen dit te onderkennen. Ook al is de biologische werking van homeopathie en andere alternatieve middeltjes minimaal tot nihil, mensen vinden vaak baat bij dit soort geneeswijzen omdat een bepaalde 'homeopaat' of een bepaalde 'waarzegster' hun een positieve sociale omgeving biedt met begrip, aandacht en liefde. Een goede psychotherapeut is zich hiervan bewust en laat zich er niet toe verleiden om 'de strijd' aan te gaan met andere, 'op lariekoek' gebaseerde stromingen, ook al is de verklaring die een alternatief genezer geeft voor de werking van 'zijn' therapie wel gebaseerd op 'lariekoek'. Als de psychiatrie en psychotherapeuten deze positief-sociale werking niet onderkennen, geven ze het circuit van alternatieve geneeswijzen juist vrij baan om, voor wat betreft het verklaren van de werking, mensen op 'het verkeerde been' te zetten.

Boud gesteld : er kan soms een grotere therapeutische werking uitgaan van een lieve, aardige, begripvolle winkelbediende dan van een starre door ambitie en subjectief simplisme gedreven psychotherapeut of psychiater.
M.R. Mulder, ervaringsdeskundige

Reactie van de redactie op de ingezonden meningen over de geponeerde stelling
Tussen 28 november en 21 januari reageerden 14 mensen op de stelling. De reacties variëren in diepgang en emotionele toon. Sommigen beperken zich tot het onderschrijven van de stelling: ‘mee eens’. Een enkeling ziet ook het nut van scholen, al was het maar omdat een school een belangrijke inspiratiebron kan zijn. En er zijn scholen die wetenschappelijk onderzoek juist heel serieus nemen. Hier en daar is het proza niet geheel inzichtelijk voor de redactie, en soms maakt een boze toon zich meester van het betoog. Hierbij gaat het niet om voorstanders van scholen. Sommige tegenstanders zijn in hun oordeel over scholen vernietigend: "psychologische monumentenzorg" en "kwakzalverij". De enige reactie waarin min of meer een pleidooi voor scholen wordt gehouden, is die van Meganck. Hij omschrijft een school in de breedste zin, dat wil zeggen levensbeschouwelijk gefundeerd. Voor Hijmans van den Bergh is dat juist de reden om scholen op te doeken. Maar als hij vervolgens de cognitieve therapie het exclusieve recht op erkenning als psychotherapie toekent, wordt er dan niet een school "nieuwe stijl" gesticht?

De redactie constateert dat er uit deze veertien reacties dus één voorstander van therapeutische scholen naar voren is gekomen. Zijn er nog meer in Nederland en Vlaanderen? Ongetwijfeld wel, maar wellicht vinden zij het niet de moeite waard op de stelling te reageren. Dat zou jammer zijn, omdat het hier om een kernprobleem van de huidige psychotherapie gaat. Daarom wil de redactie zich niet onbetuigd laten en een antwoord op de stelling formuleren.

De stelling is makkelijk geponeerd maar als vraag nog niet zo eenvoudig beantwoord. In ieder geval heeft de stelling betrekking op een cruciale fase in de ontwikkeling van de identiteit en de attitude van GGZ-professionals. Er is sprake van een sterke toename van de empirisch-wetenschappelijke benadering van de psychotherapie, waardoor klinische besluitvorming steeds meer gebaseerd zal worden op empirische evidentie en steeds minder op expert opinies. Maakt die ontwikkeling de diverse psychotherapeutische scholen tot ouderwetse en achterhaalde instituties? Een bevestigend antwoord is op zijn plaats als het gaat om het ideologische, dogmatische of sektarische gevaar dat psychotherapeutische scholen altijd bedreigt. Of anders geformuleerd als psychotherapeutische richtingen gesloten systemen worden waaruit de dialoog met andere referentiekaders is verdwenen. Een ander negatief aspect van psychotherapeutische scholen is een te sterke accentuering van de beroepsidentiteit en beroepsbelangen.

Is er ook iets positiefs over psychotherapeutische scholen te zeggen? Van Dale omschrijft een school als een "geheel van personen die in een wetenschap of kunst het werk van een voorganger in diens geest voortzetten, of die een overeenkomst in werkwijze of opvatting vertonen die op oorspronkelijke samenhang berust". In deze definitie wordt verwezen naar een traditie. In hoeverre is het voor psychotherapeuten belangrijk om te werken vanuit een traditie? Niet als het gaat om epigonisme maar wel als het gaat om het overdragen van (ethische) waarden met betrekking tot mensopvattingen en de therapeut/patiënt-relatie. Het belang van deze bij uitstek relatiegebonden factoren voor het effect van psychotherapie is inmiddels genoegzaam aangetoond. Voor zover psychotherapeutische scholen dit aspect van de traditie in de opleiding van psychotherapeuten waarborgen, zouden we bij het opdoeken van die scholen het gevaar kunnen lopen het kind met het badwater weg te gooien. Deze kwestie is ook van belang voor de psychiatrieopleiding. Als het accent in de opleiding in overheersende mate komt te liggen op ‘evidence based psychiatry’, waarbij de resultaten van empirische onderzoek het belangrijkste richtsnoer voor de praktijk worden, dan zou psychiatrie een a-historische discipline worden, die het gevaar loopt bij de wetenschappelijke "waan van de dag" te gaan leven. Het gevaar ontstaat dan dat de psychiatrie een medisch-technisch vak wordt dat losraakt van zijn medisch–ethische basis. Een intrigerende vraag is of de psychotherapeutische scholing van toekomstige psychiaters bij uitstek dit waardenaspect zou moeten behartigen.

Als we de ‘traditie’ op deze wijze positief waarderen, is een oriëntatie op de wortels van de psychotherapie niet verkeerd, integendeel. Als men echter van mening is dat psychotherapeutische scholen achterhaald zijn, wordt de vraag wel klemmend hoe deze traditie in de opleiding tot zijn recht kan komen. Uiteindelijk gaat het er in de vorming tot professional om hoe de wetenschappelijke attitude gepaard kan gaan met een houding, waarbij betrokkenheid, overtuiging, bezieling en ruimte voor de patiënt, om een paar "ouderwetse" begrippen te gebruiken, van eminent belang zijn.

Hiermee is de discussie over de stelling afgesloten.


Klik hier voor de nieuwe stelling.

Ook de 2e en 3e stelling en de reacties daarop kunt nog nalezen.


Meer weten button ESTtop

Over Empirically Supported (vroeger: validated) Treatments (EST), dat wil zeggen empirisch ondersteunde behandelingen, is veel te doen geweest in de wereld van de psychotherapie.

De meest recente lijst van EST’s (uit 1998) bestaat uit interventies bij boulimia, chronische hoofdpijn, chronische pijn, depressie, echtpaarproblematiek, enuresis, algemene angststoornis, OCD, paniekstoornis, PTSS en specifieke fobie.

De documenten die de ‘Task Force on Psychological Interventions Division of Clinical Psychology, American Psychological Association’ in de loop der jaren heeft geproduceerd over EST zijn te zien op en te downloaden van verschillende sites die u vindt onder Stoornisgerichte psychotherapeutische methodieken: Sites over EST. Daarin worden niet alleen de behandelingen omschreven, maar ook de behandelprotocollen en mogelijkheden om training en supervisie te ontvangen. Alles speelt zich wel af in de Verenigde Staten.


MWB STELLING 3 (archief)top

De redacteuren van deze rubriek poneerden begin februari 2003 de volgende stelling:
In de opleiding tot psychiater wordt de overdracht van medisch/ethische waarden het beste gewaarborgd door een brede psychotherapeutische scholing.


Hieronder vindt u alle reacties op de stelling, de reactie van de redactie op de ingezonden meningen én een antwoord op de stelling.


Maandag 11 februari 2003, 19:52 uur
Geheel mee eens. Ligt ook in het verlengde van de drie verschillende invalshoeken (medisch, psychologisch en sociaal) die zo kenmerkend zijn voor het werk van de psychiater, zoals mij is verteld. Toch trof ik onlangs nog een pas afgestudeerde psychiater en een leidinggevend psychiater in de instelling waar ik werk, die onafhankelijk van elkaar serieus beweerden dat de psychotherapie was afgeschaft, en langzaam uit zal sterven...

Houdt een brede psychotherapeutische scholing ook in respect en ruimte voor het vormgeven van psychotherapie door niet-psychiaters? En blijft er ook ruimte om het vak zelf ter hand te nemen? Of blijft alleen het gevormd zijn over?
Mevrouw M.W. Knigge

Dinsdag 12 februari 2003, 2:38 uur (door de redactie ingekort)
De cliënt/therapeut-relatie dient zakelijk te worden gehouden. Niet te persoonlijk. Maar empathie is daarentegen wel gewenst. Een cliënt wil dat hij begrepen wordt, aangevoeld en dat er meegeleefd wordt. Aan een kil/zakelijk contact heeft hij niets. Dit bevat een tegenstrijdigheid: zakelijk versus persoonlijk.
Afstand geeft (een gevoel van) onbegrip, gebrek aan empathie. Een therapeut kan dat niet simuleren, een cliënt heeft doorgaans wel gevoel voor echtheid. De houding en de handelingen van een therapeut dienen individueel op de cliënt te worden afgestemd, en niet al te vastomlijnd door een protocol. De een is meer gebaat bij een wat intiemere affectie/empathie dan een ander. Neemt een therapeut een te afstandelijke houding aan, dan jaagt hij de cliënt weg en daalt het vertrouwen in de therapeut. Een therapeut dient een cliënt dus eerst voorzichtig te leren kennen en af te tasten wat bij deze cliënt wel en wat niet wenselijk en/of mogelijk is.

Een brede psychotherapeutische scholing is natuurlijk altijd wenselijk, alleen al om uit al die psychotherapeutische stromingen de statistisch meest effectieve elementen te kunnen destilleren. En misschien is dat wel een gemeenschappelijk element: vertrouwen, begrip, empathie, sociale stimulans. Wat bij een bepaalde cliënt past, zou misschien nog het meest moeten worden bepaald door de persoonlijkheid van de cliënt zelf.

Elke psychotherapie (psychotherapeut), wel of niet alternatief, heeft zo zijn eigen bereik van medische ethiek, enerzijds ingegeven door het feit of het een Riagg-therapeut of geen Riagg-therapeut betreft en anderzijds ingegeven door de subjectieve moraliteit van de psychotherapeut zelf.

De wijze waarop allerlei psychotherapieën worden uitgeoefend en de uitwerking die dat heeft op de cliënten is vaak moeilijk te achterhalen (zeker voor wat betreft alternatieve therapieën vanwege de veelal ontbrekende supervisie en registratie) en het is daarom maar de vraag of een brede therapeutische scholing inzicht verwerft in de effectiviteit van een bepaald bereik van gehanteerde medische ethiek.

Dat neemt uiteraard niet weg dat een brede therapeutische scholing, omwille van het inzicht in werkzame therapeutische elementen - ook uit de alternatieve hoek - altijd wenselijk is. De vraag hoe ver een in opleiding zijnde psychiater zich in al die psychotherapieën dient te verdiepen, zal ingegeven worden door beschikbare tijd en (subjectieve?) waardering van bepaalde psychotherapieën.

Het gevaar dat het 'interveniëren van medische ethiek in psychotherapie een starheid en afstandelijkheid van de therapeut in de hand werkt, is waarschijnlijk een belangrijker probleem dan het probleem van een al dan niet breed opgezette psychotherapeutische scholing. Gerobotiseerde en eventueel door angst-voor-klachten gedreven en daardoor eventueel verstarde Riagg-therapeuten zullen de (nood)lijdende cliënten daardoor al snel richting alternatieve therapeuten/geneeswijzen drijven. En daardoor kan een (alternatief behandeld) resultaat ontstaan die de Riagg-therapeuten door de hantering van medisch/ethische waarden nu juist wilden voorkomen.
M.R. Mulder, studeerde 4 jaar cognitieve psychologie en is 'schizotypisch' ervaringsdeskundige

Dinsdag 19 februari 2003, 0:41 uur
De inbedding van psychotherapie in de opleiding tot psychiater is noodzakelijk om de psychotherapeutische kanten van het vak psychiatrie te leren. Psychotherapie vs psychiatrie hebben verschillen maar ook overlap. Zonder psychotherapie vervalt het vak psychiatrie tot een biologisch model - wat ook belangrijk is - maar dat komt de patiënten niet altijd ten goede. De overdracht van medisch-ethische kanten van het vak hebben psychotherapie niet persé nodig; ik die zin begrijp ik de stelling niet geheel.

Algemeen wil ik stellen dat psychotherapie in de opleiding moet blijven, liefst onder de Rino-vlag en dat een CGTherapeut niet psychoanalytische supervisie gaat geven, zoals soms gebeurt! Als Rino het onderwijs verzorgd, met het kunnen behalen van certificaten, zal deze tevens serieus (serieuzer) genomen worden door de agio's, is mijn vermoeden.
Wouter Kuyck, psychiater i.o. GGz 's-Hertogenbosch

Donderdag 21 februari 2003, 9:14 uur
Het is natuurlijk prikkelend bedoeld, deze stelling, maar zou het ook serieus bedoeld zijn? Als de stelling serieus bedoeld is, dan stellen de auteurs dat andere medische specialismen, waarin psychotherapeutische scholing geen enkele rol speelt, verstoken zouden zijn van adequate medisch-ethische vorming. Als de stelling serieus bedoeld is, dan zouden de auteurs iets uit een primair psychologische discipline tot maatstaf nemen voor een medische ethiek. Is in de stelling ook de suggestie aanwezig als zou de psychiatrische discipline "gedisciplineerd" moeten worden door de psychotherapeutische? Is daarin (wat wel vaker te lezen/horen is) weer een morele superioriteitsclaim vanuit de psychotherapie (en dan natuurlijk vooral de "humanistische") te proeven?
Ik ben als filosoof natuurlijk geen partij in dit geheel, maar als ik medicus was, dan zou ik toch laat ik zeggen geprikkeld raken door de stelling. Hetgeen ook de bedoeling was. Prima stelling dus! Maar serieus bedoeld...
E.P. Veening

Maandag 4 maart 2003, 7:59 uur
Ik denk dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen medische ethiek enerzijds en waarden (en normen) anderzijds.
Medische ethiek kan onderwezen worden. Normen en waarden zijn een verworvenheid van de opvoeding en zijn veel minder onderhevig aan een later ingesteld leerproces en/of therapeutische scholing.
In dit verband is het belangrijk dat er een strengere selectie komt voor de opleiding tot psychiater-psychotherapeut en arts in het algemeen.
Een borderlinepatiënt zal zijn waarden en normen in de psychotherapeutische opleiding slechts moeizaam en ten dele of niet veranderen vormt dus in de praktijk een groot gevaar voor de patiënten. Een deel van het veranderingsproces in de psychotherapie vindt immers plaats middels identificatie en dus onbewust. Ik vraag mij af of de selectie bij de politie wat dit betreft misschien niet grondiger is. Alhoewel. Zou interessant zijn om dat eens na te gaan.
Erik Gerretsen

Maandag 4 maart 2003, 21:22 uur
Het medisch-ethische is een belangrijke voorwaarde voor diverse aspecten binnen het biologische, sociale en psychologische terrein.
Psychotherapeutische scholing bevordert m.i. (de creativiteit binnen) overdracht en een emotioneel zuivere en zo persoonlijk mogelijk afgestemde benadering.
J.J.F.Verkade, psychiater

Dinsdag 25 juni 2003, 8:30 uur
De brede scholing is van wezenlijk belang. Als verpleegkundige ben ik zo'n twintig jaar werkzaam in de psychiatrie: semi en high-care in de longstay. Ik bemerk bij in- en uitstromende medici een gebrek aan achtergrond. Zelden heb ik mensen getroffen de gewoon het verhaal van Oedipus kunnen opdreunen.
Ten opzichte van verpleegkundigen kunnen ze weinig inzichtelijke aspecten overbrengen of hebben zij een voorbeeld functie. Dit is met name van belang omdat de verpleegkundigen het met communicatie moeten doen en zich niet gesteund zien door kennis van zaken. Men werkt graag multidisciplinair, doch als er naast de medici alleen maar 'followers' werken, kan de psychiater ook geen eisen stellen aan de verpleegkundigen.
Uitgaande van het gegeven dat de medici uitgaan van informatie van verpleegkundigen, is het handig als een breed opgeleide arts dit ook kan uitdragen. Het vak is te mooi en er valt nog zo veel te doen om het te laten stranden in 'kweet-niet'.
Ber Oomen.

Zondag 21 juli 2003, 12:25 uur
De overdracht van medisch-ethische waarden wordt het beste gewaarborgd door een grondige scholing in medisch-ethische waarden en de doorwerking daarvan in de biologische, psychologische en sociale aspecten van het dagelijks werk. Ik zie niet in waarom dit met een brede psychotherapeutische scholing beter kan worden gedaan, dan met een brede medisch-filosofische scholing.
Rob de Vries, psychiater


Antwoord van de redactie op de stelling

Samenvatting van de meningen van de respondenten

Het antwoord van de redactie heeft lang op zich laten wachten. Daarvoor onze excuses.
De reacties op de stelling zijn zo als altijd weer interessant.
Om te beginnen worden er door drie respondenten vraagtekens gezet bij de positieve uitwerking van medisch ethische waarden.
Zo is mevrouw Knigge het eens met de stelling maar vraagt zij zich toch af in hoeverre een brede psychotherapeutische scholing respect impliceert van psychiaters voor psychotherapeuten uit een andere discipline.
Psychiatrisch verpleegkundige Oomen onderschrijft eveneens de stelling maar constateert op de werkvloer dat in- en uitstromende psychiaters een gebrek aan achtergrond hebben, communicatieve vaardigheden missen en geen voorbeeldfunctie hebben.
Mulder is van mening dat "het interveniëren van medische ethiek in psychotherapie een starheid en afstandelijkheid van de therapeut in de hand werkt".

Het belang van een brede psychotherapeutische scholing in de psychiatrische opleiding wordt door de meeste respondenten onderschreven.
Kuyck stelt dat het vak psychiatrie zonder psychotherapie vervalt tot een biologische discipline. Volgens Verkade bevordert een psychotherapeutische scholing een emotioneel zuivere en zo persoonlijk mogelijke benadering.

Echter, de respondenten nemen de redactionele stelling niet over.
Kuyck begrijpt de stelling niet, De Vries prefereert een brede medisch-filosofische scholing en Gerretsen beveelt een strengere selectie aan voor de opleiding tot psychiater. Tenslotte wordt de filosoof Veening door de stelling plaatsvervangend (voor medici) geprikkeld. Volgens hem kan men niet serieus nemen dat een primair psychologische discipline tot maatstaf voor een medische ethiek wordt genomen.


Opvatting van de redactie over de stelling

De stelling is natuurlijk prikkelend maar uiteraard ook serieus bedoeld.
Allereerst twee vragen. Om welke medisch ethische waarden gaat het eigenlijk? En hoe kunnen die het beste geleerd worden?
De eed van Hippocrates dient hier als uitgangspunt (zie: http://classics.mit.edu/Hippocrates/hippooath.html).
De waarden die in deze eed tot uitdrukking komen zijn ondermeer zuiverheid en voorbeeldigheid (holiness) m.b.t. de levenswandel en beroepsuitoefening van de dokter, welzijn en integriteit van de patiënten, vertrouwen en geheimhouding in de dokter/patiënt-relatie.
Overdracht van deze waarden komt tot stand door een persoonlijke meester/gezel-relatie, die dezelfde emotionele betekenis en morele implicaties heeft als een ouder/kind-relatie.

Deze morele imperatief, die zijn wortels heeft in het sacrale, is zwaar aangezet. Eeuwenlang heeft de dokter – bij gebrek aan effectieve behandelmogelijkheden - zijn gezag en autoriteit waarschijnlijk mede aan deze eed ontleend.
In de huidige tijd heeft de dokter parallel aan een spectaculaire ontwikkeling van het medisch kennen en kunnen, aan autoriteit ingeboet. Daarnaast krijgt Hippocrates’ eed in de context van deze technische geneeskunde een wat wereldvreemd karakter.
In het recente verleden zijn er pogingen ondernomen (wellicht onbewust beïnvloed door Hippocrates) om deze eenzijdige technische ontwikkeling in de geneeskunde te keren. Querido probeerde dat met zijn concept van de integrale geneeskunde en Engel ontwikkelde vanuit de interne geneeskunde het biopsychosociale model.
Er zijn ook momenten dat de oude waarden van Hippocrates weer opvlammen. Bijvoorbeeld bij de indertijd gevoerde discussies over abortus en de recente over euthanasie en hulp bij zelfdoding.
Wat te denken geeft, is dat steeds meer mensen hun "heil" zoeken in de alternatieve geneeskunde. Is het toevallig dat daarin veel van de oude waarden van Hippocrates te herkennen zijn?

Genoemde ontwikkeling in de geneeskunde geldt mutatis mutandis ook voor de psychiatrie. Dat wil zeggen nadruk op biologische psychiatrie en neurowetenschappen en toenemende verzakelijking ("producttypering").
Waar zijn de waarden van Hippocrates gebleven? Voor een aanzienlijk deel in de psychotherapeutische referentiekaders. Hier vinden we noties zoals de mens als geheel, de (magische) autoriteit van de therapeut, respect voor de autonomie van de patiënt, de waarde van luisteren naar de patiënt in een vertrouwelijke relatie en het belang van afstemmingskwesties in de behandeling.
Ook existentiële en zingevingsvragen (waar veel psychiaters allergisch voor zijn) komen hier aan bod. Bijvoorbeeld de demoralisatiehypothese van Frank.
Veel noties in de psychotherapie zijn geprofaneerde waarden uit de eed van Hippocrates. Opvallend is dat in de psychotherapieopleiding de supervisor/supervisant-relatie trekken heeft van "ouder/kind-relatie" die Hippocrates beschrijft. Ook de leertherapie is in dit verband bijzonder.

Op basis van deze argumentatie kan de stelling bevestigend worden beantwoord.
Ook in de medische opleidingen is men tot de conclusie gekomen dat er veel gedaan moet worden aan de attitudeverbetering van toekomstige artsen. Het is dan ook niet vreemd dat veel aandacht wordt besteed aan gespreks- en communicatieve vaardigheden.
De redactie is van mening dat deze trainingen bij voorkeur door psychologen gegeven moeten worden.

Hiermee is de discussie over de stelling afgesloten.


Klik hier voor de nieuwe stelling.

Ook de 1e en 2e stelling en de reacties daarop kunt nog nalezen
.


MWB STELLING 2 (archief)top

De redacteuren van deze rubriek poneerden op 3 april 2002 ter ere van het 30e NVvP Voorjaarscongres de volgende stelling:
In iedere psychiatrische behandeling zijn psychotherapeutische methodieken altijd eerste keus.

Hieronder vindt u alle reacties op de stelling, de reactie van de redactie op de ingezonden meningen én een antwoord op de stelling.

Vrijdag 5 april 2002, 11:28 uur
Nee. Het is wel zo dat een interventie in het (eerste) contact past in een of ander psychotherapeutisch kader of voortkomt uit een psychotherapeutisch gedachtegoed. Dus ''altijd eerste keus" hoeft niet zo bedoeld te zijn. Het vervolg/beloop bepaalt verder. "Altijd eerste keus" kan dus ook farmacotherapie zijn.
Een bezoeker van het NVvP-congres

Zaterdag 6 april 2002, 13:09 uur
De gevolgde psychotherapeutische methodieken komen voort uit en ontwikkelen zich verder in het contact met de patiënt voor wie de methodiek aldus ook een (eerste?) keus is.
Ralph Noll

Maandag 22 april 2002, 20:00 uur
Het is wat lastig op de stelling te reageren als deze letterlijk wordt opgevat. De reactie bestaat dan simpel uit ja of nee. De stelling luidt echter niet anders dan zo zij is vermeld en bedoelt dus niet te prikkelen tot een reactie op de eventuele wenselijkheid van psychotherapeutische methodieken als (mogelijke) eerste keus en dan ook nog altijd en in iedere psychiatrische behandeling!
Dus dan maar terug naar de letterlijke stelling en een keuze maken tussen ja en nee.
Omdat de stelling zo stellig is, kies ik voor nee. Mij prikkelt toch de behoefte op dit nee een korte toelichting te geven. Al zou maar een gering percentage van het aantal psychiatrische behandelingen aanvangen op het moment waarop crisisinterventie wordt gepleegd, dan zal op dat moment een psychotherapeutische methodiek niet de eerste keus zijn en is er dus geen sprake van "altijd eerste keus in iedere psychiatrische behandeling". Ik stel dat de juiste keuze en toediening van medicatie in die omstandigheid en voor dat moment prevaleert boven welke psychotherapeutische methodiek dan ook. Een combinatie van medicatie en delen van psychotherapeutische methodieken is in enkele specifieke situaties bij de aanvang van de behandeling het hoogste haalbare waarbij medicatie logisch gezien vaak de eerste keus zal zijn, maar niet altijd...
En zo gaf een op het oog eenvoudige stelling op een mooie lenteavond weer voldoende stof tot reflectie.
Hans Oud

Vrijdag 26 april 2002, 22:42 uur
Ik denk dat een psychotherapeutische behandeling pas mogelijk is als er enigszins sprake is van stabiliteit en van de competentie om te willen en te kunnen leren en dus te werken aan verandering. Aan het aangaan van een psychotherapeutische behandeling, zeker de inzichtgevende, word er van de cliënt verwacht dat hij een confrontatie aangaat met de (innerlijke) conflicten van het verleden. Zo kan iemand zijn gedrag in het heden beter plaatsen en daar aan gaan werken. Dat eist heel wat van iemand. Ik denk dat het heel belangrijk is om als psychiater de eerste (crisis)interventie toe te passen niet te snel over te gaan op psychotherapie, maar pas als er duidelijk een analyse is van de (leef)situatie, het sociaal vangnet en de competenties van de cliënt. Ik wil hierbij toelichten dat ik zelf wel voor psychotherapie ben, maar dat er bepaalde voorwaarden zijn, die erger moeten voorkomen.
Jessica van der Zee

Zaterdag 1 juni 2002, 21:46 uur
Eerste keuze is niet aan te geven en veel te eenvoudig gesteld.
Psychiatrie staat voor een breed veld van psychische aandoeningen. Zowel farmacotherapie als psychotherapie kunnen óf los óf misschien juist in combinatie, voor een patiënt van belang zijn. Wel zijn in een crisissituatie medicijnen vaak noodzakelijk, en vereist psychotherapie veel meer voorwerk en voorwaardelijk gedrag van de patiënt. Ook - en dat mag toch bekend zijn – zijn medicijnen bij psychosen, epilepsie en bij manisch depressiviteit vaak onontbeerlijk. Dus: hoezo zijn psychotherapeutische methodieken altijd eerste keus?
Ook als je al zou kunnen stellen dat in veel psychiatrische situaties psychotherapie (of de methodiek) een oplossing kan zijn, dan is het steeds op de lange termijn in tegenstelling tot het eerder gestelde in crisissituaties. Daarbij is de leeftijd van de patiënt bij farmacotherapie 'minder van belang' (bijvoorbeeld bij de ernstige salaam epilepsie bij kinderen voor het eerste levensjaar en behandeling met ACTH) dan bij toe te passen psychotherapie.

Geschiedenis en (vooral Amerikaans) onderzoek hebben ons geleerd dat schizofrene patiënten weinig baat hebben bij psychotherapie. Echter, uit effect-onderzoek van de laatste 15 jaar blijkt ook dat cognitieve gedragstherapie (om maar een zinvolle psychotherapeutische methodiek te noemen) een veelbelovende therapie is voor een heel scala van psychische problemen zoals psychose, persoonlijkheidstoornis en depressie. Het lijkt er dus op dat de stelling wel erg eenvoudig is gesteld, maar je wel aan het denken zet.
Piet van der Ploeg

Dinsdag 11 juni 2002, 22:46 uur
Deze stelling is niet meer van deze tijd. Bepaalde te specificeren psychotherapeutische interventies zijn (in)effectief bij bepaalde stoornissen en al dan niet even (in)effectief als bepaalde farmacotherapeutische interventies. Wat de eerste keuze is varieert.
Richard van Dyck

Reactie van de redactie op de ingezonden meningen over de geponeerde stelling
De stelling wordt door twee respondenten als te simpel beoordeeld. Toch ziet men er ook een aanzet tot reflectie in. Geen van de respondenten beaamt de stelling volmondig. Twee zijn het niet met de stelling eens. Daarnaast wordt benadrukt dat psychotherapeutische methodieken pas in het verdere beloop van het contact relevant worden en dat in crisissituatie farmacotherapie eerste keus moet zijn.

Het antwoord van de redactie op de stelling.
De stelling is inderdaad simpel en bovendien onvolledig. Eigenlijk moet ook de psychiatrische diagnostiek erbij betrokken worden. Het is niet al te boud om te stellen dat zodra een psychiater in contact komt met een patiënt – in welke context dan ook: polikliniek, gesloten afdeling, politiebureau – er door de psychiater altijd een relatie moet worden gelegd waarbij allerlei psychotherapeutische methodieken en technieken in het geding zijn.
Empathisch aansluiten bij de belevingswereld van de patiënt, omgaan met weerstanden, confronteren, structureren, ondersteunen, begrenzen, confronteren, hanteren van overdracht en tegenoverdrachtsgevoelens, containment van affecten, enz.
Als er geen goede en veilige relatie met de patiënt wordt opgebouwd, kan de psychiater in de diagnostiek belangrijke informatie missen en kan hij niet adequaat behandelen. In het eerste contact wordt de basis gelegd voor het succes van de latere behandeling.
Juist in crisissituaties zijn psychotherapeutische methoden zoals reeds genoemd onmisbaar, evenals de methodieken / technieken van de gezins- en relatietherapie en de groepspsychotherapie.
Dus eerst een relatie leggen, veiligheid creëren, vertrouwen wekken en dan pas eventueel psychofarmacotherapie toepassen. Bovendien heeft het voorschrijven van een psychofarmacon in belangrijke mate het karakter van een psychotherapeutische interventie, waarbij het zelfgevoel van de patiënt ingrijpend gewijzigd wordt.
Op basis van bovenstaande argumentatie kan worden gesteld dat psychiatrische diagnostiek en behandeling "doordrenkt horen te zijn" van psychotherapeutische methoden.
Eigenlijk is dat de betekenis van het biopsychosociale model. Jongerius sprak in dit verband van "psychotherapeutische psychiatrie".
Consequent doorgeredeneerd is de stelling van het voorjaarscongres eigenlijk niet juist. Er kan niet gesproken worden van een eerste keus van psychotherapeutische methoden. De toepassing van psychotherapeutische methoden in een psychiatrische behandeling gaat vóóraf aan de keuze voor psychotherapie, psychofarmacotherapie of beiden.

Hiermee is de discussie over de stelling gesloten.


Klik hier voor de nieuwe stelling.

Ook de 1e en 3e stelling en de reacties daarop kunt nog nalezen.


STELLING 4top

De redacteuren van deze rubriek poneerden begin juli 2003 de volgende stelling:


Als uit de beschikbare wetenschappelijke evidence blijkt dat bij een bepaalde psychiatrische stoornis psychofarmaca en psychotherapie even effectief zijn, dan is psychotherapie de behandeling van eerste keuze.


U wordt van harte uitgenodigd om op deze stelling te reageren. Klikt u hier voor uw reactie, en vermeld 'reactie op Psychotherapiestelling 4'.


Uw reactie wordt z.s.m. hieronder gepubliceerd.
De redactie behoudt zich het recht voor inzendingen in te korten en/of te redigeren.


REACTIES VAN BEZOEKERS
Zaterdag 8 november 2003
De stelling is veel te algemeen gedefinieerd om een zinvol individueel gericht therapeutisch antwoord te formuleren.
En wat met de eventuele meerwaarde van een (tijdelijke) combinatie?
W. Vandereycken

Maandag 3 november 2003
Mijn mening is dat psychotherapie de voorkeur zou hebben, mits de cliënt voldoende gemotiveerd is om naar zijn eigen functioneren te kijken en een normaal IQ heeft.
Wanneer de cliënt niet kan of wil reflecteren, en/of te labiel is, zou ik starten met medicatie.
P.J.B.M. Haring

Dinsdag 21 oktober 2003

Mee eens!
Bijwerkingen en afhankelijkheid van psychofarmaca worden vermeden. Psychotherapie leidt tot grotere competentie ten aanzien van de klacht(en) en mogelijk tot het begrijpen van de problematiek in het kader van de persoonlijke ontwikkeling.
Drs. G.H.G. Jongen